Afschuw en bewondering voor Spinoza

In de zomer van 1673, tijdens de Franse bezetting van Utrecht, bracht Nederlands beroemdste filosoof enkele weken door in onze stad. Op 20 december 2018, tijdens de lezing van Oud-Utrecht, vertelde Albert Gootjes over de motieven van Spinoza om deze gevaarlijke reis te ondernemen. Een kring van Utrechtse geleerden verafschuwde én bewonderde Spinoza zeer en wilde hem beter leren kennen.

In het rampjaar 1672 had het Franse leger Utrecht ingenomen. De bezetting bracht Utrecht aan de rand van de financiële afgrond, want de Fransen eisten enorme geldbedragen. In 1673 stond Utrecht onder gezag van de Franse generaal, Louis II de Bourbon (1621-1686), de prins van Condé. Deze was na Lodewijk XIV de machtigste man van Frankrijk, hij was bekend om zijn militaire prestaties maar ook om zijn interesse in kunsten en wetenschappen.

Spinoza had in 1670 zijn Tractatus theologico-politicus gepubliceerd, anoniem en in het latijn om de verspreiding beperkt te houden. In dit boek bestrijdt hij de goddelijke oorsprong van de bijbel, die bevat alleen door mensen geschreven verhalen. De filosofie is geen hulpje van de theologie maar een zelfstandige wetenschap, gebaseerd op de rede. Intellectuelen waren er al snel achter dat deze anonieme publicatie van Spinoza kwam. Deze was in 1673 al druk bezig de grondlijnen voor zijn Ethica uit te werken. Daarin ziet hij God niet als schepper: God is in alles, in de natuur en ook in de mens zelf.

Spinoza wist heel goed dat zijn opvattingen omstreden waren en dat hij voorzichtig moest zijn - zijn wapenspreuk 'caute' wijst daar ook op. Het lag dus niet voor de hand dat Spinoza de vijandelijke linies zou oversteken om Utrecht te bezoeken. Al in de eerste biografie - Koenraad Meinsma 'Spinoza en zijn kring' - wordt er een heel hoofdstuk gewijd aan het bezoek aan Utrecht. De gebruikelijke opvatting is dat Spinoza werd uitgenodigd door de prins van Condé en dat het om een diplomatieke missie ging.

Kort geleden zijn brieven ontdekt van Johannes Bouwmeester aan Johannes Graevius en die wijzen op de actieve rol van deze Utrechtse geleerde. Johannes Bouwmeester was een Amsterdamse vriend van Spinoza en Johannes Graevius hoorde bij het Utrechtse 'Collegie van Scavanten'. Bij dit 'Collegie' hoorden ook Lambertus van Velthuysen en Regnerus van Mansvelt, ze waren gefascineerd door Spinoza en wilde meer van hem weten.

Johannes Graevius had, ondanks de Franse bezetting, goede contacten met de officieren. Luitenant-kolonel Jean Baptiste Stouppe organiseerde het bezoek van Spinoza aan Utrecht, hij regelde de uitnodiging, de vergoeding van de kosten en een paspoort van de prins van Condé zelf. Graevius reisde naar Den Haag en naar Amsterdam, waar hij met Johannes Bouwmeester sprak. Die overlegde met Spinoza en regelde dat diens veiligheid gegarandeerd werd.

Spinoza reisde eind juli 1673 naar Utrecht, waarschijnlijk in de veronderstelling de prins van Condé te kunnen spreken over de verspreiding van zijn Tractatus theologico-politicus in Frankrijk. Maar de prins was net vertrokken en Spinoza werd welkom geheten door het 'Collegie van Scavanten' en de Franse officieren. Johannes Graevius, Lambertus van Velthuysen en anderen spraken uitgebreid met hem en hoorden hem uit over de grondlijnen van zijn Ethica. Na drie weken vertrok Spinoza weer naar Den Haag. De afschuw én bewondering waren alleen maar sterker geworden bij de Utrechtse kring van geleerden. Spinoza's ideeën werden natuurlijk doorverteld. Korte tijd later vroeg de protestantse kerkenraad de gemeente Utrecht te voorkomen dat de verderfelijke boeken van Spinoza onze stad zouden kunnen bereiken.